Soo dan van een driehoeck, die in grootheyt gegeven is, de grondtliny in gelegentheyt en grootte gegeven is: soo sal de top desselven driehoecks een rechte liny geraecken, die in gelegentheyt gegeven is.
't Welck te bewijsen was.
Op het 4deVoorstel.
IV. Werck-stvck.
Gegeven zijnde in gelegentheyt twee rechte linien AB, AC, tot de eene AC een rechte liny te stellen, als CF, die gelijck zy aen een gegeve liny D, ende even-wydig met de ander AB.
't Werck.
Sy tot A, alwaer beyde linien AB, AC malkander doorsnijden / in AB geteyckent AE gelijck D, en door E getrocken EF even-wydig met AC: dan sal / somen uyt eenich punt C in de liny AC, waer 't valt / treckt CF even-wydich met AB, tot datse komt te geraecken EF, de liny CF zijn de begeerde liny. Waer af 't Bewijs door 't 34ste Voorstel des 1sten boecks Euclidis openbaer is.
Soo dan van een rechte liny, in grootte gegeven, en met een andre in gelegentheyt gegeven even-wydig, het een eynde een rechte liny komt te geraecken, die in gelegetheyt gegeven is: soo sal mede het ander eynde een rechte liny geraecken, die in gelegentheyt gegeven is.
't Welck te bewijsen was.
Op het 5deVoorstel.
V. Werck-stvck.
Gegeven zijnde in gelegentheyt twee even-wydige of t'samen komende rechte linien AB, CD: een punt buyten deselve te vinden, als E, waer uyt somen in gegeve hoecken F, G tot de gegeve linien AB, CD twee rechte linien haelt,
als