Eerste Propositie.
Hoemen op een ghegeven rechte
linie, een gelijcksijdigen triangel
maecken sal.
- Van een gegeven punt, een rechte
linie te trecken, Welcke een ghegeven
rechte linie gelijck zy.
- Ghegeven zijnde twee onghelijcke
rechte linien, van de meeste een
stuck te snijden, gelijck de minste.
- So van twee triangulen, elcks een
houck, en houcksijden, bysonder
ghelijck zijn, sullen dan mede de
derde sijden, oock de ander houcken,
d'een d'ander: ende de triangels,
gelijck zijn.
- Een triangel met twee ghelijcke sijden,
heeft over de selve twee
gelijcke houcken: ende somen de
gelijcke sijden verlengt, zijn mede de
wtwendige houcken gelijck.
- Een triangel met twee gelijcke
houcken, heeft over de selve twee
gelijcke sijden.
Is de contrarie met het eerste deel der 5.
7. So