www.fransvanschooten.nl

5 vwo wiskunde B

Gelijke hoeken

Hoofdstuk 5


Schets bij opdracht 3


Uitwerking opdracht 3 (bijzonder geval)


Gegeven is een cirkel met middelpunt M en de punten A, B en C
waarbij de punten A en C op een middellijn liggen.
  • Gegeven is:
    • cirkel met middelpunt M
    • de punten A, B en C op de cirkelrand
    • de punten A en C liggen op een middellijn
  • Te bewijzen:
    • AMB = 2 × ∠ACB
  1. Volgens de stelling van de buitenhoek is ∠M1 = ∠B2 = ∠C2,
  2. Omdat punt M het middelpunt is van de cirkel,
    daarom |MB| = |MC|
    dus is ∆MBC gelijkbenig met ∠B2 = ∠C2.
  3. Omdat ∠M1 = ∠B2 = ∠C2 (stap 1)
    en omdat ∠B2 = ∠C2 (stap 2)
    daarom ∠M1 = 2 × ∠C2
  4. Conclusie: ∠AMB = 2 × ∠ACB.

top
 


Schets bij opdracht 3


Uitwerking opdracht 3b


Gegeven is een cirkel met middelpunt M en de punten A, B en C
  • Gegeven is:
    • cirkel met middelpunt M
    • de punten A, B en C op de cirkelrand
  • Te bewijzen:
    • AMB = 2 × ∠ACB
  • Constructie:
    • punt D op de cirkelrand en op de middellijn CMD
  1. Omdat DMC een middellijn is, is ∠M1 + ∠M2 + ∠M3 = 180°
    oftewel ∠M2 = 180° − ∠M1 − ∠M3.
  2. Omdat ∠BMC = 2 × ∠D (zie bewijs bijzonder geval omtrekshoek)
    en omdat ∠AMD = 2 × ∠C1 (idem)
    daarom ∠M2 = 180° − 2 × ∠C1 − 2 × ∠D
    dus ∠M2 = 2 × (90° − ∠C1 − ∠D)
  3. Omdat in ∆BCD punt B op de cirkel ligt en zijde CD de middellijn is,
    daarom is ∆BCD rechthoekig met ∠B = 90° (omgekeerde Thales)
  4. Omdat ∠B + ∠C + ∠D = 180°
    daarom ∠C + ∠D = 90°
    dus ∠C2 = 90° − ∠C1 − ∠D.
  5. Uit (2) en (4) volgt dat ∠M2 = 2 × ∠C2.
  6. Conclusie: ∠AMB = 2 × ∠ACB.