Schets bij opdracht 3

|
Uitwerking opdracht 3 (bijzonder geval)
Gegeven is een cirkel met middelpunt M en de punten A, B en C
waarbij de punten A en C op een middellijn liggen.
- Gegeven is:
- cirkel met middelpunt M
- de punten A, B en C op de cirkelrand
- de punten A en C liggen op een middellijn
- Te bewijzen:
- Volgens de stelling van de buitenhoek is ∠M1 = ∠B2 = ∠C2,
- Omdat punt M het middelpunt is van de cirkel,
daarom |MB| = |MC|
dus is ∆MBC gelijkbenig met ∠B2 = ∠C2.
- Omdat ∠M1 = ∠B2 = ∠C2 (stap 1)
en omdat ∠B2 = ∠C2 (stap 2)
daarom ∠M1 = 2 × ∠C2
- Conclusie: ∠AMB = 2 × ∠ACB.
☐
| |